maandag 6 oktober 2014

Onredelijke kosten voor de acceptgiro, mag dat?

Het is een doorn in het oog van menig consument: de betalingsvoorwaarden. Zij krijgen de keuze tussen de automatische incasso en onredelijk hoge kosten voor de acceptgirokaart. De consument moet voor betaling via de acceptgiro onredelijk hoge bedragen betalen, welke tegenwoordig de € 2,50 nog wel eens willen overschrijden, terwijl banken daarvoor een bedrag vragen vanaf € 0,30. En consumenten die dit niet willen betalen moeten van hun bankrekening een grabbelton maken.

Maar mag dat eigenlijk (nog) wel?

Voor lange tijd is het antwoord geweest dat dit mocht. Oké, één rechter heeft ooit aangegeven dat dit niet mocht. Maar alle andere rechters hadden daar geen bezwaren tegen. Een vereiste was natuurlijk wel dat dit was afgesproken. Als er niets was afgesproken dan mochten bedrijven hooguit de kosten van de bank inrekening brengen.

Maar alles is aan verandering onderhavig en dat is niet anders voor de betalingskosten. Op 13 juni 2013 is nieuwe wetgeving ingevoerd die handelaren expliciet verbied om voor een betaalmiddel meer inrekening te brengen1. Maar wat houdt dit nu concreet in? Mag de handelaar ook indirecte kosten inrekening brengen of alleen de directe kosten?

Alleen de directe kosten
De wetgever geeft aan dat handelaren alleen de daadwerkelijke kosten inrekening mogen brengen die noodzakelijk zijn om de betaling mogelijk te maken; in bijzonder gaat het om de kosten die bij de handelaar inrekening worden gebracht2.

De Nederlandse wetgever heeft aangegeven dat hieronder niet alleen de kosten per transactie maar ook kosten die onafhankelijk zijn van het aantal transacties. Dit laatste zou het alsnog erg lastig maken om hier tegen in het verweer te komen. Immers, alleen de ondernemer weet over hoeveel transacties deze kosten verdeelt moeten worden. En wat bij de een onredelijk is kan dan bij de ander weer redelijk zijn.

De Europese Commissie met een handleiding gekomen, waarmee ze de Nederlandse wetgever teruggefloten3. Hierin geeft ze aan dat het moet gaan om kosten die rechtstreeks bij de handelaar inrekening worden gebruik van het gebruik van een betaalmiddel. Hieronder vallen de kosten die bank zelf moet afdragen aan derde en de winstmarge van de bank. En transactiekosten of overhead die aan een tussenpersoon betaald moet worden. Het overige kan niet inrekening worden gebracht.

Concreet houdt dit in dat voor vergoeding de eigen afhandelingskosten en de periodieke betalingen niet voor vergoeding in aanmerking komt, zodat -in het geval van de acceptgirokaart- alleen de kosten vanaf € 0,30 inrekening gebracht kunnen worden.

Wat te doen?
Betaal altijd het bedrag waarover geen geschil bestaat. Voor de betalingskosten van een overboeking kun je kijken bij de bank van de tegenpartij. Je kunt dan aangeven dat je het restant van de betalingsverplichting opschort omdat je onduidelijk is dat je deze wel moet vergoeden.Vervolgens is de tegenpartij aan zet.

Deze kan dan naar de rechter om de betaling op te eisen, waarop je verweer kan houden. Hij kan er ook kiezen om met afsluiting te dreigen en incassokosten inrekening te brengen. Je kunt dan zelf een kort geding starten, waarbij je dan aangeeft dat je afsluiting onaanvaardbaar vindt omdat het hier gaan om een gering bedrag4 en je een bodemprocedure waarschijnlijk zult winnen. Het voordeel hiervan is dat de bewijslast bij de tegenpartij ligt. Immers, hij stelt dat deze kosten verschuldigd en jij betwist dat.

Je kunt er ook voor kiezen om het bedrag "onder protest" te betalen en terug te vorderen via een bodemprocedure5. Het voordeel hiervan is uiteraard dat je niet afgesloten wordt. Ook kun je de wettelijke rente eisen. Alleen nu stel jij dat de kosten onverschuldigd waren en draag je in beginsel zelf de bewijslast last. Uit de gegeven omstandigheden (dreigement van afsluiting en de betaling onder protest) kan de rechter van mening zijn dat de tegenpartij toch de bewijslast dragen. Immers, in plaats van machtsvertoon had deze ook naar de rechter kunnen gaan.


  1. Artikel 6:230k lid 1 BW 
  2. TK, 2012/2013. 33520, nr. 7, p. 21 
  3. http://ec.europa.eu/justice/consumer-marketing/files/crd_guidance_en.pdf 
  4. Rb Breda, 25 mei 2011, 633854 cv 10-11429, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ6459 
  5. Rb Midden-Nederland, 18 september 2013, 851982 UC EXPL 13-1333 CTH 4065, ECLI:NL:RBMNE:2013:3775 

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen